Schrijvers over de liefde – deel 2

“Kijk, ik geloof in mijn monogamie. Niet zozeer omdat ik van mijn vrouw houd. Ik ben monogaam omdat ik de wilskracht heb om niet met mijn póten aan andere wijven te zitten. Wilskracht is mijn voornaamste kwaliteit. Iemand met minder wilskracht had niet al die boeken kunnen schrijven, niet al die optredens kunnen doen, niet zichzelf kunnen beheersen om mensen op hun bék te slaan, of om zichzelf op te hangen.

De grote liefde bestaat niet. Het is de wilskracht: ik houd van die vrouw en dat moet ik volhouden. Anders zeg je voor je het weet: perfecte knieën heeft ze ook niet. En dan is het binnen een week afgelopen. We hebben elkaar niet lief omdat de liefde er is, als een derde persoon die ons aan elkaar smeedt. We kiezen er zelf voor om lief te hebben. Wat dat betreft ben ik een solipsist. Niks bestaat buiten mij en mijn directe ervaring.”

vrolijker?

Als ik mensen hoor praten over relaties en zichzelf,  als ze alles helemaal kapot analyseren, als ik ze bijvoorbeeld zeggen dat ze ergens niet aan toe zijn, of als ze zichzelf willen vinden…. dan denk ik vaak:

‘Lieve Here, wat een zwaarwichtigheid. Kon er niet wat vrolijker over de liefde gesproken worden?’

Het laatste is een citaat (pag. 29) uit de roman Een hartstocht  van Boudewijn van Houten (1979) .  Een roman over een wanhopige liefde van de hoofdpersoon – in wie wij Van Houten herkennen – die zijn Maud nooit echt krijgt, ook al heeft hij een tijd een relatie met haar. Maud gaat vijf  maal per week naar de psychiater… en heeft veel moeite met genieten.

hartstocht

links: Een hartstocht

Een boek uit  de jaren zeventig, maar ik heb het idee dat het psychologiseren in en buiten relaties nu alleen maar erger geworden is.

 

Ontroerende romantiek – in liedvorm

Genieten kan ik –  van menig sentimenteel lied. Zoals van Tu sais je t’aime.

 

Een van de liefste liedjes die ik ken, is ‘Do you love me?’ van Sharif Dean:

Let op het – niet geacteerde?- enthousiasme van de leuke zangeres! En die man op de achtergrond die de bloem van zijn danspartner opeet.

Soms kijk en luister ik beide nummers en springen er tranen in mijn ogen.

En daarom zeg ik met Paul McCartney: leve de goede lovesong

Hoe wij telkens weer onze seksualiteit problematiseren, Een nieuwe kijk op (de geschiedenis van) onze seksualiteit

c515b7c48cfc6c8d866dcaca34640c62eace8f8a

Door Harm Menger, GGD-arts te Alkmaar.

Uit: Tijdschrift voor Seksuologie (2007) 31, 29-34

Michel Foucault heeft, zoals bekend, in zijn Geschiedenis van de seksualiteit een grote ommezwaai gemaakt. Die ommezwaai is één van de meest curieuze kwesties in zijn hele oeuvre: het tweede en derde deel van zijn Geschiedenis hebben een geheel andere probleemstelling dan deel 1. In het eerste deel, getiteld La volonté de savoir (Foucault, 1976, vertaald als De wil tot weten, Foucault, 1984), borduurt hij voort op één van zijn grote onderzoeksprojecten: het ontstaan van de hedendaagse westerse mens. Die westerse mens beschouwt zichzelf volgens Foucault als individu, maar loopt in overgrote meerderheid keurig in de pas. Foucault gebruikt een mooie uitdrukking om die mens te karakteriseren: ‘subject in de dubbele betekenis van het begrip subject’ (namelijk onderwerp en onderworpen). Foucault meende dat dat type mens het product is van een bepaald soort maatschappelijke macht, niet een onderdrukkende, maar een discipline- rende macht. Voorbeelden van de werking van die macht zag Foucault in het ontstaan van ons strafrecht

en daaraan heeft hij dan ook één van zijn belangrijkste studies gewijd: Surveiller et punir, naissance de la prison (Foucault, 1975, vertaald als Discipline, toezicht, straf, de geboorte van de gevangenis, Foucault, 1989). Ook in de seksualiteit wordt die westerse mens gedisciplineerd, meende Foucault en door een vergelijkbare macht, vandaar zijn belangstelling voor de geschiedenis van onze seksualiteit. Het eerste deel van zijn Geschiedenis kon hij dan ook snel na Surveiller et punir presenteren omdat het het product was van hetzelfde onderzoek. Dat eerste deel (La volonté de savoir / De wil tot weten) gaat over grofweg de 19de eeuw. Bij de pre- sentatie van dat boek liet Foucault weten dat zijn geschiedschrijving van de pakweg 20 eeuwen daarvóór snel zou volgen, hij had zelfs al de titels van de vervolgen bedacht . Maar die vervolgen lieten op zich wachten. Pas 8 jaar later verscheen deel 2 en met een geheel nieuwe probleemstelling waarin het thema van de discipline- rende macht niet meer is terug te vinden. Zijn nieuwe vraagstelling presenteert hij in het begin van dat tweede deel, L’usage des plaisirs (Foucault, 1984). In de Nederlandse vertaling, Het gebruik van de lust (Foucault, 1984) is de betreffende passage te vinden op pagina 15. Ik parafraseer zijn tekst enigszins: ‘Samenlevingen hebben de neiging hun seksualiteit te problematiseren. Ze doen dat op grond van een grote ‘bestaanskunst’ die ze ontwikkelen’. Zijn formulering is nog tamelijk voorzichtig en aarzelend, kennelijk was hij nog niet zeker van zijn nieuwe inzicht. Deze ommezwaai laat zich maar op één manier begrijpen: Foucault heeft zich aanvankelijk, met zijn machtsconcept als leidraad, opgewekt gestort op zijn studie van de geschiedenis van de seksualiteit en is vastgelopen. Kennelijk is hij na jaren onderzoek tot de conclusie gekomen dat zijn voorstelling van een disciplinerende macht die als een rode draad door de meer dan tweeduizendjarige geschiedenis van onze seksualiteit zou lopen, niet vruchtbaar is. Tegelijkertijd is bij hem een nieuw idee gaan dagen dat hij blijkbaar bruikbaarder achtte omdat hij daarmee vervolgens de geschiedenis van de seksualiteit vanaf de alleroudste bronnen te lijf is gegaan. Zat hij op het goede spoor? Was zijn nieuwe idee vruchtbaar? Deze vragen heeft hij vervolgens zelf getoetst en mijns inziens positief beantwoord in zijn tweede en derde deel, dus aan de hand van de seksualiteit van de oude Grieken en, in Le souci de soi / De zorg voor zichzelf (Foucault, 1984), die van de Romeinen. Hij was van plan zijn reeks voort te zetten met het vroege christendom enzovoort, maar helaas is hem daartoe de tijd van leven niet vergund geweest. Van Ussels Geschiedenis van het seksuele probleem. Indertijd bestond er al een werk dat Foucault misschien eerder op het goede spoor had kunnen zetten. In 1972 werd namelijk in Frankrijk een boek gepubliceerd met de titel Histoire de la répression sexuelle (Van Ussel, 1972). Dat boek biedt de grondigste studie van de West-Europese seksualiteit tussen ongeveer 1600 en 1900 die ooit is verschenen. Het boek is nog immer ongeëvenaard wat betreft rijkdom aan inzicht in de seksuele opvattingen van die periode. We weten dat Foucault dat boek heeft gekend 3 maar niets wijst erop dat het een grote indruk op hem heeft gemaakt. Alleen al de titel zal hem hebben tegengestaan: Foucault wilde nu juist af van het idee van on- derdrukking, zijn machtsconcept was niet negatief in de zin van onderdrukking, het was positief in de zin van disciplinering. Maar de titel van het boek was helaas niet exact vertaald en Foucault zou misschien anders hebben gereageerd als dat wel het geval was geweest, de oorspronkelijke titel luidde namelijk: Geschiedenis van het seksuele probleem. Het werk is van de hand van J.M.W. Van Ussel (1918-1976) en is de handelseditie van zijn promotieonderzoek (Van Ussel, 1968). Van Ussels onderzoek past naadloos in de nieuwe visie van Foucault. Van Ussel beschrijft in zijn studie in detail de wijze waarop onze voorouders gedurende die drie eeuwen hun seksualiteit problematiseerden. Van Ussel gebruikte dus Foucaults nieuwe idee eerder dan Foucault zelf en zijn studie is een veel betere toetsing van dat idee dan Foucaults eigen werk omdat de bronnen die Van Ussel heeft gebruikt, veel recen- ter en dus completer, helderder, consistenter, toetsbaarder en voor ons invoelbaarder zijn. Van Ussel schrijft immers over een tijd die ons nog zeer nabij is en hij slaagt er wonderwel in een samenhangende, verklarende beschrijving te geven in termen van ‘seksueel probleem’ en ‘bestaanskunst’ van de seksualiteit van onze voorouders gedurende die drie eeuwen. Ik geef een samenvatting van zijn betoog. De grote bestaanskunst van onze voorouders was een ideaal van een nieuwe mens, een beschaafde mens: de burger. De essentie van die mens was dat wat hem in de ogen van onze voorouders onderscheidde van de dieren en deze mens had daarom één groot zedelijk imperatief: zich verheffen boven de lager geachte, als dierlijk beschouwde aspecten van zijn bestaan. Van die zogenaamd lagere, dierlijke aspecten werd echter, merkwaardig genoeg, uitsluitend de seksualiteit op de korrel genomen. Hun ideaal borduurde voort op een inzicht dat van alle tijden en alle culturen is (geweest) – behalve dan onze huidige – namelijk de gedachte dat een mens zich door seksuele onthouding spiritueel en zedelijk kan verheffen. Wat onze voorouders in hun ideaal echter over het hoofd zagen, was dat deze levenskunst in alle andere en eerdere culturen de levensstijl van een kleine groep uitverkorenen is geweest, die van de ‘heiligen’ en dat die levensstijl niet haalbaar is voor de meerderheid van gewone mensen. Van Ussel verklaart voor ons het seksuele probleem van onze voorouders: het was het gevolg van de voor vrijwel allen onoplosbare spanning tussen ideaal en werkelijkheid. Laten we niet slechts naar de inhoud, maar ook naar de vorm van het probleem kijken. Het probleem van onze voorouders is tot ons gekomen in de vorm van een grote hoeveelheid lectuur. Van Ussels onderzoek bestaat uiteraard, zoals ieder geschiedkundig onderzoek, bij de gratie van deze bronnen. Die bronnen blijken vooral opvoedkundige werken en voorlichtingsboeken te zijn. In de loop van die drie eeuwen is een groot aantal van dergelijke boeken verschenen die geen mens tegenwoordig nog leest, maar die in die tijd kennelijk hoogst belangrijk werden gevonden. Het bestaan van die lectuur zegt dus iets over het probleem van onze voorouders: dat probleem heeft kennelijk een behoefte geschapen, namelijk de behoefte aan hulp, aan antwoorden op de vele vragen die er bij hen leefden. Daarmee heeft hun ideaal indirect nog een interessant fenomeen gecreëerd, namelijk een ‘kaste van deskundigen’: hulpverleners, mensen die zich in het probleem hadden verdiept en die zichzelf geroepen en in staat achtten de vragen van hun tijdge- noten te beantwoorden. Deze deskundigen waren van divers pluimage: artsen, opvoeders, dominees. Maar hun thematiek was grofweg drie eeuwen lang opvallend eensluidend: zedenpreken, moraliseren, het godvrezende volk waarschuwen voor de enorme gevaren van de seksuele lust en het de middelen aanreiken om die gevaren af te wenden. Tot zover Van Ussel en het seksuele probleem van onze voorouders.

De problematiseringshypothese De situatie is nu aldus: we kunnen spreken van ‘de problematiseringshypothese’. Deze hypothese is het product van ruim acht jaar studie door één van de creatiefste denkers van de 20ste eeuw: Michel Foucault. De hypothese wordt impliciet bevestigd door het werk van Van Ussel, dat ik met enig recht het belangrijkste historische onderzoek van de westerse seksualiteit noem. De hypothese luidt als volgt: iedere samenleving problematiseert de seksualiteit. Het probleem is het gevolg van een groot ideaal dat de leden van die samenleving collectief ontwikkelen, maar dat te hoog gegrepen is. Probleem en ideaal blijven gedurende lange tijd, tot eeuwen toe, tamelijk constant. Het probleem schept een vraag of beter een groot aantal samenhangende vragen die de basis vormen voor een grote hoeveelheid geschriften. Het creëert daarmee indirect deskundigen die, met de bedoeling het probleem op te lossen, die geschriften produceren. Wat ligt meer voor de hand dan dat we nu de hypothese gaan toetsen aan onze eigen tijd, dat we dus de vraag gaan stellen: geldt de hypothese ook voor hier en nu en ons? Deze vraag valt uiteen in een aantal deelvragen. We gaan op zoek naar achtereenvolgens: de hedendaagse deskundigen, het probleem, het ideaal en tot slot hun historische continuïteit.

Onze huidige seksualiteit volgens deze problematiseringshypothese:

1. De deskundigen Bestaat er tegenwoordig nog zo’n kaste van deskundigen? Van die mensen die een verschillende professionele achtergrond kunnen hebben, maar die zich presenteren als hulpverleners van de seksualiteit, die pretenderen het probleem te kunnen oplossen en die zich duidelijk in het openbaar als zodanig manifesteren? Deze vraag is als een open deur, want wie zijn die professionals die dikke boeken schrijven over hedendaagse seksualiteit, die columns en vragenrubrieken in tijdschriften vullen, die onontkoombaar aanwezig zijn in radio- en televisiepraatprogramma’s over seks; die mensen waar je, kortom, niet omheen kunt als er bij ons in het openbaar over seks wordt gesproken? Natuurlijk, de seksuologen. Toch is er iets merkwaardigs aan de hand: we kunnen in één oogopslag zien dat de thematiek van de hedendaagse deskundigen, de seksuologen, wezenlijk anders is dan die van hun voorgangers in de 19de eeuw. Dat wijst erop dat er tussen pakweg de 19de eeuw en nu een geheel nieuw seksueel probleem is ontstaan.

  1. Het probleem We richten onze blik op één van die hedendaagse deskundigen, namelijk degene die medio 2004 het grote seksuele probleem van deze tijd in de openbaarheid heeft gebracht en die daarmee een krachtig argument voor de problematiseringshypothese leverde: Harry van de Wiel. Diverse media hebben indertijd aandacht besteed aan zijn onderzoek, kennelijk heeft hij een g voelige snaar geraakt met zijn onthulling. De uitkomst van zijn onderzoek is bekend: hij heeft vastgesteld dat bij een derde van de stellen die langer dan 7 jaar bij elkaar zijn, de wederzijdse seksuele belangstelling danig is bekoeld. In 2002 had hij overigens al een boekje het licht doen zien, getiteld: Het grote genieten, oplossingen bij seksuele burnout (van de Wiel, 2002). De achterflap van dat boekje meldt dat ’30 procent van de Nederlandse bevolking [kampt] met problemen, die te vangen zijn onder de noemer seksuele burn-out’. In absolute en relatieve cijfers gaat het dus niet zozeer om een groot als wel om een enorm probleem.

    3. Het ideaal Kunnen we een ‘bestaanskunst’ identificeren die de basis vormt van dit probleem? Daarvoor moeten we een typisch filosofische manoeuvre toepassen die sinds Kant bekend staat als ‘de kritische wending’: we gaan het probleem op een radicaal andere manier beschouwen. De vraag die kennelijk talloos veel hedendaagse Nederlanders – en seksuologen met hen – inzake hun seksualiteit bezighoudt, luidt: ‘waarom is de seks in onze relatie, die zo passievol begon, na verloop van enkele jaren zo sleets geworden?’ Deze vraag gaan we kritisch wenden en dan verschijnt de volgende: ‘Hoe komt het dat kennelijk zoveel mensen verwachten dat er na jarenlang samenzijn nog passie in hun relatie kan bestaan?’ Iedere Nederlander, zelfs iedere westerling weet het antwoord op deze vraag: ‘Dat zit hem in ons romantische ideaal. Dat ideaal belooft ons immers dat de liefde tussen twee mensen een onuitputtelijke bron van seksuele vreugde is’. Maar de feiten, die door Van de Wiel ten overvloede aan het licht zijn gebracht, bewijzen dat dat niet waar is en we kunnen dus ons huidige, grote seksuele probleem op dezelfde manier verklaren als dat van onze voorouders: het is het product van de discrepantie tussen ideaal en werkelijkheid.

    4. De historie. Hoe zit het met de continuïteit van ons hedendaagse seksuele probleem en ideaal, hoe lang bestaan ze al, wanneer zijn ze ontstaan? We gaan met stappen terug in de tijd en we volgen daarbij het spoor van de des- kundigen. In 1970 is in de VS een boek verschenen van wellicht de beroemdste seksuologen aller tijden: William Masters en Virginia Johnson. De titel van dat boek luidt: The pleasure bond. Het boek is in het Nederlands vertaald onder de titel De plezierverbintenis (Masters & Johnson, 1975). De ondertitel die Masters en Johnson aan hun boek hebben meegegeven, luidt: ‘How can a man and a woman keep alive the sexual excitement that originally united them?’. In de Nederlandse vertaling is deze opmerking te vinden op de achterflap. Wie dit boek naast Het grote genieten van Van de Wiel legt, ziet dat ze exact hetzelfde probleem behandelen. Dat probleem en de achtergrond ervan, het romantische ideaal, bestaan kennelijk al zo’n 30 jaar – en niet alleen in Nederland – en het is in die tijd niet veranderd. We gaan nog verder terug in de tijd en dan vinden we een belangrijk boek: Het volkomen huwelijk van ‘onze eigen’ Th.H. van de Velde (1926). Het boek is in 1926 voor het eerst gepubliceerd en in vele talen vertaald. Het is wereldwijd één van de belangrijkste seksuologische werken geweest. Van de Velde is duidelijk seksuoloog, hij is hulpverlener van de hedendaagse seksualiteit. Alleen al de titel van het boek verraadt dat het ten dienste staat van het romantische ideaal. Ook Van de Velde geloofde dat hij kon bijdragen aan het levensgeluk van zijn lezers door hen uitvoerig te informeren over de mogelijkheden van de seks met de vaste partner. Een belangrijk verschil met Masters en Johnson en Van de Wiel is dat Van de Velde het probleem van de huwelijkse seksualiteit op de langere termijn niet expliciet benoemt. We zouden kunnen zeggen dat Van de Velde nog naïef was, hij geloofde kennelijk nog zonder enig voorbehoud in die onuitputtelijke bron van seksuele vreugde die de liefde voor twee mensen kan betekenen. We gaan nog verder terug in de tijd en dan komen we bij Richard von Krafft-Ebing, de man die, althans door menige seksuoloog, wordt beschouwd als de eerste seksuoloog. Maar dat valt tegen: in zijn Psychopathia Sexualis (1886) vinden we nergens het ideaal van de romantische seksualiteit en geen enkele aanwijzing om dat ideaal te bereiken. Von Krafft-Ebing kunnen we nauwelijks hulpverlener noemen, hij was een encyclopedist: hij heeft een complete verzameling aangelegd, een rariteitenkabinet van alle, ook de meest bizarre vormen waarin de menselijke seksuele lust zich kan manifesteren. Von Krafft-Ebing was misschien seksuoloog in de zin van ‘wetenschapper van de seksualiteit’, maar zeker niet in de zin van hulpverlener bij het nastreven van het romantische ideaal. Er is geen ver- band, integendeel, er is een breuk tussen hem enerzijds en Van de Velde, Masters en Johnson en Van de Wiel anderzijds. Maar als Von Krafft-Ebing niet de eerste seksuoloog in de zin van hulpverlener van de romantische seksualiteit was, wie dan wel? We kunnen de wereldliteratuur verder afspeuren en dan vinden we slechts sporadisch een enkele schrijver die de huwelijkse seksualiteit verheerlijkt. Maar we moeten onontkoombaar vaststellen dat in de hele cultuurgeschiedenis de huwelijkse seksualiteit nooit erg interessant is gevonden. Totdat de Engelse arts Henry Havelock Ellis (1859-1939) in het laatste decennium van de 19de eeuw startte met zijn reeks Studies in the psychology of sex. Van Ellis’ werk is in 1933 een samenvatting verschenen, getiteld Psychology of sex. Dit werk is in 1949 in het Nederlands uitgegeven onder de onjuiste titel Psychologie van de sexen. In dat boek vinden we een belangrijke passage en wel op de pagina’s 298/9: ‘Onder de gewone voorwaarden van het maat- schappelijke leven, zoals wij dat in de civilisatie kennen, zijn er drie hoofdrichtingen waarin wij de energie van de geslachtsdrift kunnen afvoeren. 1. Wij kunnen alle openlijke manifestaties vermijden en de geslachtsdrift zijn dynamische energie laten spuien langs welke wegen ook, normale of abnormale, die het organisme daartoe vermag te openen; 2. Wij kunnen ons tevreden stellen met tijdelijke of alleen maar vluchtige sexuele relaties, waarvan prostitutie het bekende type is; 3. Wij kunnen in het huwelijk treden, dat wil zeggen in een sexuele betrekking, aangegaan met de bedoeling haar, zo mogelijk, blijvend te doen zijn, en een gemeenschap van meer dan sexuele belangen inhoudend. Er kan niet de minste twijfel over bestaan of deze derde mogelijkheid leidt – welke godsdienstige of zedelijke beginselen men ook moge aanhangen, en zelfs wanneer zulke beginselen geheel ontbreken – tot de rijkste en diepste levenservaring, ook wanneer er geen kinderen zijn.’ Deze formulering geeft de ideologie van de romantische seksualiteit weer en levert daarmee de ideologische grondslag voor de (medische) seksuologie. De medische seksuologie vormt historisch gezien een rechte lijn die begint bij Ellis en die via Van de Velde en Masters en Johnson uitkomt bij Van de Wiel en alle andere hedendaagse medisch-seksuologen.

Conclusie

We moeten ons goed realiseren dat deze bestaanskunst en dit ideaal cultuurhistorisch uniek zijn: er is nooit eerder een samenleving geweest waarin de men- sen massaal hebben gemeend dat er aan de seks met de vaste partner iets bijzonders te beleven zou zijn. Het ideaal is dus kennelijk ruim 100 jaar geleden in de westerse wereld ineens opgedoken en vervolgens lang- zamerhand door miljoenen mensen geaccepteerd en niet alleen in Nederland, want we treffen het ideaal aan in alle westerse landen. Het is dit grote ideaal dat, doordat het voor slechts weinigen bereikbaar is, voor alle anderen een ontzag- lijk probleem oplevert en daaraan danken, net als in de tijd van onze voorouders, de deskundigen, de hulpverleners, in ons geval de seksuologen hun bestaan. Het is dit ideaal dat de grondslag vormt voor de (medische) seksuologie. Er bestaat een uitspraak die perfect weergeeft hoe wij mensen ons verhouden tot ideaal en werkelijkheid van de seksualiteit. Die uitspraak is te vinden in een boekje van Anja Meulenbelt, getiteld Casablanca of de onmogelijkheden van de heteroseksuele liefde (Meulenbelt, 1990). In hoofstuk 2, Het ideaal van de romantische liefde, lezen we (pagina 12): ‘Er is niets mis met het ideaal. Er is iets fundamenteel mis met de realiteit.’ Meulenbelt doelde met dit citaat weliswaar op de hedendaagse heteroseksuele relatie in ruime zin, maar het is ook heel goed toepasbaar op uitsluitend het seksuele aspect van die relatie. Het citaat roept het beeld op van mensen die proberen de werkelijk- heid te kneden in de vorm van hun ideaal, die energiek in hun levens dat grote ideaal najagen en maar niet kunnen begrijpen waarom het zo vaak niet wil lukken. Dat brengt ons terug bij Van Ussel want het beeld dat dit citaat van Meulenbelt oproept, is exact het beeld dat Van Ussel ons toont van onze voorouders en hún seksualiteit: miljoenen mensen die hun levens lang zwoe- gen op een ideaal en maar mondjesmaat slagen. Eeuwen zijn ze bezig geweest om het ideaal te realiseren, honderden boeken zijn er over hun probleem geschreven door tientallen deskundigen en het heeft niet mogen baten: hún realiteit bleek al even weerbarstig als de onze. Kennelijk herhaalt de geschiedenis zich. Uiteindelijk is het probleem van onze voorouders nooit opgelost. Er is iets heel anders mee gebeurd: het is verdwenen. De reden: de mensen verloren hun belangstelling voor het ideaal. En dat is gebeurd in de loop van de twintigste eeuw. Maar daarna is het toch weer fout gegaan, want in plaats van te zeggen: ‘Nooit weer zo’n groot ideaal dat talloos veel mensen in een ijzeren greep houdt’, hebben we gezamenlijk een geheel nieuw ideaal bedacht: het romantische. En daarmee hebben we ons in één klap een kolossaal nieuw probleem op de hals gehaald. Het is zoals een negentiende-eeuwse wijsgeer, moe van alle politieke omwentelingen, schreef: ‘Plus ça change, plus c’est la même chose’. Kennelijk kan het niet anders: kennelijk zijn wij mensen allemaal onderworpen aan die grote historische wetmatigheid van de seksualiteit.

De problematiseringshypothese toont, voor wie het wil zien, deze historische wetmatigheid als één groots panorama.

Literatuur

Ellis, H.H. (1949). Psychologie van de sexen. Baarn: Het Wereldvenster. Ellis, H.H. (1897-1928). Studies in the psychology of sex, 7 delen. Tussen 1916 en 1925 zijn 6 van deze delen in het Nederlands vertaald onder de titel De psychologie der sexen. Eribon, D. (1990). Michel Foucault, een biografie. Amsterdam: Van Gennep. Foucault, M. (1975). Surveiller et punir, naissance de la prison. [vertaald als Foucault, M. (1989). Discipline, toe- zicht, straf, de geboorte van de gevangenis. Groningen: Historische Uitgeverij. Foucault, M. (1984). Geschiedenis van de seksualiteit, deel 1: De wil tot weten, deel 2: Het gebruik van de lust, deel 3: De zorg voor zichzelf. Nijmegen: SUN. Foucault, M. (1999). Les anormaux. (Collegedictaat). Paris (Seuil): Gallimard. von Krafft-Ebing, R. (1886). Psychopathia sexualis. Ik beschik over een Duitse bewerking uit 1937, getiteld Verirrungen des Geslechtslebens. Zürich: Albert Müller-Verlag en over een Engelse vertaling uit 1965; London: Mayflower-Dell. Masters, W.H., & Johnson, V.E. (1970). The pleasure bond. Mijn exemplaar is van 1975; Toronto, New York, London: Bantam Books. Nederlandse vertaling: (1975) De plezier- verbintenis. Den Haag: Bert Bakker. Meulenbelt, A. (1990). Casablanca of de onmogelijkheden van de heteroseksuele liefde. Amsterdam: Sara/Van Gennep. Van Ussel, J.M.W. (1968). Geschiedenis van het seksuele probleem. Meppel: J.A. Boom en zn. Van Ussel, J. (1972). Histoire de la répression sexuelle. Paris: Robert Laffont. Vertaald uit het Duits. De titel van de Duitse uitgave is ‘Sexualunterdrückung’. van de Velde, Th.H. (1926). Het volkomen huwelijk, physiologie en techniek. Mijn exemplaar is een 18de druk (1958). Amsterdam: N.V. Amsterdamsche Boek- en Courantmaatschappij. van de Wiel, H.B.M. (2002). Het grote genieten, oplossingen bij seksuele burn-out. Naarden: Strengholt.

Samenvatting Michel Foucault (1926-1984) is één van de belangrijkste filosofen van de 20ste eeuw geweest en zijn onderzoek naar de geschiedenis van de seksualiteit is één van zijn belangrijkste werken. In dat werk heeft hij ons een inzicht nagelaten waarmee hij meende de seksualiteit van iedere samenleving in de wereldgeschie- denis niet slechts te kunnen beschouwen, maar ook te kunnen begrijpen en verklaren. Dat inzicht kunnen we noemen ‘de problematiseringshypothese’. Foucault heeft de toetsing van zijn inzicht niet kunnen voltooien. Maar zijn hypothese blijkt te worden gesteund door een andere, oudere onderzoeker die één van de belangrijkste werken over de geschiedenis van de Europese seksualiteit heeft geschreven: Jos van Ussel. En in 2004 heeft een Nederlandse seksuoloog, Harry van de Wiel, het nieuws gehaald met een onderzoek dat een krachtig bewijs levert voor de juistheid van Foucaults visie. De problematiseringshypothese blijkt daarmee een ongehoord verklarend vermogen te hebben. Zij biedt een scherpe en volkomen nieuwe, zij het weinig rooskleurige kijk op de huidige seksualiteit in onze samenleving. Tussen neus en lippen door openbaart zij de grondslag van de (medische) seksuologie.

Summary

How we problematise our sexuality again and again, a new view upon (the history of) our sexuality. The French philosopher Michel Foucault (1926-1984) was one of the most important thinkers of the 20th century. In his study The History of Sexuality, volume II (1984) he has left us a most promising theory with which we can describe, understand and explain the sexuality of any and every so- ciety in history. Foucault himself has begun testing his theory, but wasn ́t given enough time to test it to the full. We can call this theory ‘the hypothesis of problematisation’. His theory, though, is supported by one of the most important studies of the history of sexuality in Europe, published in 1968 in Dutch and translated in German, French and other European languages (but not in English) written by a Belgian historian, Jos Van Ussel. This study is older than Foucault’s and is entitled Geschiedenis van het seksuele probleem (History of the sexual problem). Recently, in 2004, a Dutch sexuologist, Van de Wiel, has presented a study which again produces strong support for Foucault’s theory. This theory therefore appears to have an unprecedented explanatory power: it presents a new and much less pleasant view of today’ss sexuality in western countries and, by the way, it shows the historical position of sexuology, thereby revealing its foundation.

Oproepen : ‘ik zag je … in de trein’ vaak veel te vaag

Gezien op ns-hartkloppingen-site:


Ik moet steeds aan je denken

Mijn dochter en ik zaten al toen jij en je zoontje de coupé binnen kwamen lopen. Jullie kwamen naast ons zitten. Jouw zoontje voelde zich niet zo lekker en mijn dochter was helemaal in de ban van haar olifantenboekje.
We hebben niet veel tegen elkaar gezegd, maar we hebben heerlijk om elkaars kroost gelachen en er was tussen ons wel degelijk oogcontact.

We stapten gezamenlijk uit op station Hoorn Kersenboogerd. We zeiden elkaar gedag, stapten beiden op de fiets, zwaaide nog even naar elkaar en daar verloren we elkaar uit het oog.

Ik moet sindsdien steeds aan je denken… Ik krijg je niet uit mijn hoofd. Zou heel graag met jou in contact willen komen. Ik hoop jij ook met mij en dat dit ons dichter bij elkaar zal brengen.

Mooie, wonderlijke oproepen soms op deze site. Ik zou duidelijker zijn , bijv (ik, man, zoveel jaar, dit en dat uiterlijk) zag jou (vrouw.. etc). Dat is toch HANDIG? Je wilt toch duidelijk zijn?

Nu is niet eens duidelijk welke sekse welke sekse zoekt. En of het op de vrouw (?) in kwestie net  zo’n indruk heeft gemaakt als op hem is niet duidelijk.

Mensen die zoeken, kunnen op een betere manier zoeken.

Ik vind de meeste oproepen trouwens erg lief.

En… hoop dat ze succes hebben. Ik ben alleen bang dat er niet extreem veel gekeken wordt op deze site. Ja, door nieuwsgierigen en ramptoeristen, maar door ‘zoekenden’ ?

Ik hoop het voor de oproepers.

 

Flirten tijdens voetbalwedstrijden

voetbalvrouw

 

Vrouwen ontmoeten tijdens voetbalwedstrijden, bijv. in de supermarkt: het is een idee:

Het is inderdaad opvallend wie je tijdens ‘belangrijke’ wedstrijden treft in winkels en bijoorbeeld. cafés waar geen scherm hangt. En kom op zeg, het is Australië, en een voorronde. De auteur van dit stuk richt zich op mannen… ik kan nog toevoegen dat ook vrouwen hun voordeel kunnen doen met dit verhaal. Je treft mannen die geen meeloper zijn…

Romantiek dood.

Scenariogoeroe Robert McKee die onlangs in Amsterdam lesgaf aan filmmakers, doet pittige uitspraken.

In De filmkrant beweert hij:

“Het is waar, romantiek is dood. Jonge mensen schamen zich ervoor. Als je bijvoorbeeld op straat om je heen kijkt, wie lopen er dan nog hand in hand? Oude mensen en homo’s. Dat zijn de laatste romantici. Jongeren vinden dat soort romantisch gedrag bedreigend. Ze vertrouwen het niet en ze schamen zich ervoor, zeker. Maar: de honger naar romantiek leeft nog steeds, zelfs onder lompe jonge mannen.”
“Vrouwen vinden mannen die de romanticus uithangen al snel verdacht. Mannen vinden het verwijfd, het is bedreigend voor hun mannelijkheid. Het feminisme heeft de romantiek vernietigd. Een vrouw kan van een man niet meer verwachten dat hij haar gedichten en bloemen stuurt als ze tegelijkertijd met hem concurreert op de arbeidsmarkt. Feminisme was een groot en noodzakelijk sociaal goed, de emancipatie is zeker niet klaar en het is absoluut een doorslaggevende stap naar een grotere beschaving, maar elke vooruitgang heeft zijn prijs.”

Roy Lichtenstein

“De instituten die de oude omgangsvormen voortbrachten, worden vernietigd. Maar het menselijk brein heeft van nature een neiging tot idealiseren. Deze neiging om het wereldlijke naar een hoger plan te brengen is er altijd. Als ik naar jonge mensen kijk, zie ik dat de romantische rituelen geëvolueerd zijn, gemuteerd. Maar jonge mensen van nu hebben net zoveel behoefte om een partner te vinden, om zich te binden en zo een einde te maken aan hun eenzaamheid. Dat zal nooit veranderen.”

Fascinerende uitspraken van McKee en bepaald geen onzin. Sterk gesteld, dat wel – maar inderdaad heeft alles een prijs. Ik vind het eerlijk gezegd ook logisch dat romantiek nauwelijks meer bestaat, maar dat de hunkering er wel is. Misschien draaf ik wat door…maar ik denk wel eens: ondanks Valentijnsdag, zijn dit geen tijden voor romantiek. We zijn er te zakelijk voor geworden, te afwegend. Het geeft ook niet, er was en is altijd veel nepromantiek.